Wat is dat eigenlijk, hoogbegaafdheid? Gaat het om een talent? Om “slimmer” zijn? Of is het cognitieve luik slechts een klein deel van hoogbegaafdheid? En kan je er ook last van hebben?
Wie zich verdiept in neurodiversiteit — het idee dat er meerdere manieren zijn waarop een brein kan functioneren — merkt dat hoogbegaafdheid opvallend vaak ontbreekt in het gesprek. En wie zich inzet voor hoogbegaafde personen, ziet op zijn beurt regelmatig terughoudendheid om zich met het label ‘neurodivergent’ te verbinden.
Waarom wringt dat zo hard? Waarom wordt hoogbegaafdheid zo vaak buiten beeld gehouden in gesprekken over neurodiversiteit? Kunnen we hoogbegaafdheid zien als een vorm van neurodivergentie? Waarom wel, en waarom niet? En vooral: wat als we net vanuit dat ongemak een bredere, inclusievere kijk kunnen ontwikkelen?
Wat is neurodivergentie eigenlijk?
Als we willen begrijpen of hoogbegaafdheid gezien kan worden als een vorm van neurodivergentie, beginnen we best met scherp te stellen wat we juist verstaan onder “neurodivergentie”.
De “Encyclopedia of Social Sciences” ziet iemand neurodivergent wanneer diens “brein en cognitieve ontwikkeling buiten de typische bandbreedte valt” (Goldberg, 2023). Neurodivergentie verwijst naar een atypische ontwikkeling en een verschil in functioneren. Het is dus geen eufemisme voor een diagnose, en dat is cruciaal.
Diagnoses zoals Autisme Spectrum Stoornis en Attention Deficit/Hyperactivity Disorder passen binnen een medisch perspectief, waarbij de meeste mensen “gezond” zijn, en mensen die anders functioneren gezien worden als “gestoord” en in nood van behandeling. Heb je geen nood aan behandeling, dan heb je geen stoornis, en geen diagnose.
Het neurodiversiteitsparadigma geeft ons een heel andere bril om naar verschillen te kijken. Wanneer we het hebben over neurodiversiteit, hebben we het over de rijkdom van verschillen. Zo’n verschil noemen we een “divergentie”: het is anders dan de norm, maar evenwaardig. Een neurodivergentie is dus niet noodzakelijk een stoornis en vraagt niet om een behandeling.
Natuurlijk is er een overlap: er zijn wel degelijk neurodivergente mensen die hun neurotype ervaren als een stoornis, en die professionele hulp inschakelen om hun beste leven te leiden. Maar er zijn even goed neurodivergente mensen die hun neurotype ervaren als een superkracht, en die ervan overtuigd zijn dat ze zonder dat verschil veel minder sterk in het leven zouden staan. De meesten zien hun neurodivergentie genuanceerder: ze ervaren de verschillen soms als een hindernis, en soms als een superkracht, vaak afhankelijk van de context.
En wat met hoogbegaafdheid?
Wat is hoogbegaafdheid?
In tegenstelling tot neurotypes zoals autisme of ADHD, is er niet één algemeen aanvaarde definitie van hoogbegaafdheid (Subotnik et al., 2011). Er zijn wel 2 componenten die je terug kan vinden in de meest gangbare beschrijvingen:
- een cognitief talent, dat soms vertaald wordt in een IQ dat minstens 2 standaarddeviaties boven de norm ligt, en
- zijnskenmerken zoals creativiteit, autonomie of emotionele diepgang (Kieboom, 2015). Over die zijnskenmerken is veel discussie: volgens sommige auteurs kan je niet spreken van “hoogbegaafdheid” als die zijnskenmerken er niet zijn, maar anderzijds is er geen brede cijfermatige onderbouwing van die zijnskenmerken.
In het Nederlands taalgebied, wordt de Delphi definitie vaak gehanteerd:
“Een hoogbegaafde is een snelle en slimme denker, die complexe zaken aankan. Autonoom, gedreven en nieuwsgierig van aard. Een sensitief en emotioneel mens, intens levend. Hij of zij schept plezier in creëren.” (Kooijman – van Thiel, 2008)
Je ziet dat ook in deze definitie aandacht is voor zowel het cognitief talent (de eerste zin) als de zijnskenmerken (de volgende zinnen).
Is hoogbegaafdheid een stoornis?
Hoogbegaafdheid is geen diagnose: de medische wereld ziet een hoger IQ immers niet als een stoornis waar behandeling voor nodig is. Tegelijkertijd zien we wel een deel van de hoogbegaafden die aangeven dat ze last hebben van hun hoogbegaafdheid, en dan kan het zowel gaan over communicatieproblemen omwille van hun snellere denken, als om de zijnskenmerken die als valkuil ervaren worden omdat ze leiden tot stress of isolement. Ervaringsverhalen focussen daar vaak op, en tegelijkertijd is het belangrijk om te beseffen dat dit om een relatief kleine groep gaat. Uit grotere onderzoeken (Rinn & Bishop, 2015) blijkt immers dat hoogbegaafden meestal gelukkig zijn met hun leven.
Is hoogbegaafdheid een vorm van neurodivergentie?
Wie neurodivergentie ziet als een eufemisme voor een diagnose of een stoornis, ziet hoogbegaafdheid uiteraard niet als neurodivergentie. Echter, dat is niet wat “neurodivergent” betekent.
Wie neurodivergentie begrijpt als een “significant verschil in cognitieve ontwikkeling”, ziet hoogbegaafdheid wél een vorm van neurodivergentie.
Wie hoogbegaafd is, heeft een brein en cognitieve ontwikkeling die buiten de typische bandbreedte valt, en is dus per definitie neurodivergent. Dat wordt ook bevestigd door onderzoek. In een vergelijkende studie scoorden hoogbegaafde respondenten significant anders dan neurotypische deelnemers, met hogere scores op rationele besluitvorming en meer cognitieve reflectie. Die verschillen waren consistent en vergelijkbaar met de verschillen die vastgesteld werden bij andere neurotypes, zoals autisme of ADHD (Van Rijswijk & Curşeu, 2025).

Hoogbegaafdheidsmonitor
Wist je dat Mindflow over specifieke expertise beschikt rond hoogbegaafdheid? Muriel is ECHA Specialist, en heeft in het kader van haar opleiding een “hoogbegaafdheidsmonitor” ontwikkeld, die helpt inschatten in welke mate een organisatie ruimte maakt voor hoogbegaafde medewerkers. Interesse? Laat het ons zeker weten, we gaan er graag over in gesprek.
Waarom focussen op neurodivergentie?
Je kan hoogbegaafdheid dus zonder twijfel zien als een vorm van neurodivergentie, en het heeft zeker voordelen om het zo te benoemen.
Om te beginnen kom je minder in een uitzonderingspositie te staan: dan “hoor” je niet alleen bij die 2,5% van de bevolking die hoogbegaafd genoemd wordt, maar ook bij de 20% van de bevolking die neurodivergent is.
Belangrijker is dat daardoor het gesprek over je specifieke sterktes en valkuilen makkelijker wordt. Veel mensen vinden het immers lastig om hun neurotype met naam en toenaam te delen, bijvoorbeeld met hun baas. Of we het nu willen of niet, feit is dat veel van die woorden stereotypes oproepen. Hoogbegaafd? Arrogant, bedoel je. Autistisch? Incompetent, bedoel je. ADHD? Warhoofd, bedoel je. Hoogsensitief? Huilebalk, bedoel je? Dyslectisch? Dom, bedoel je. En zo kunnen we nog wel even doorgaan. Net omdat neurodivergent zo’n breed begrip is, laat het zich minder vastzetten in vooroordelen. Dat laat toe dat je het gesprek aan gaat over jouw persoonlijke sterktes en valkuilen, en niet eerst het stereotype moet bevechtigen. Je kan dan met je baas in gesprek gaan over hoe abstract redeneren jou goed af gaat, en hoe je soms wel wat hulp kan gebruiken om de link te leggen met de concrete situatie. Of hoe jij concrete details en voorbeelden nodig hebt om abstracte begrippen écht te kunnen plaatsen. Of…
En tenslotte maakt een breed begrip zoals neurodiversiteit of neurodivergentie een ander soort gesprek mogelijk over inclusie op de werkvloer. We kunnen alleen maar vaststellen dat onze maatschappij en onze organisaties gaandeweg steeds meer gestandaardiseerd zijn. We verwachten dat iedereen op dezelfde manier werkt: iedereen moet een electronische agenda hebben, samenwerken betekent vergaderen, en communiceren doen we met ellenlange emails. Daar wordt niemand gelukkiger (of productiever) van, maar wie neurodivergent is, kan daar echt op vastlopen.
Door neuroinclusiever te werken, kunnen organisaties de productiviteit en inzetbaarheid van hun voltallige personeel verbeteren. Dat gesprek willen we absoluut voeren, en door het te hebben over neurodiversiteit en neurodivergentie slaan we 2 vliegen in één klap. Enerzijds is de groep groot genoeg om er structurele maatregelen voor te treffen. Anderzijds zorgen net de verschillen binnen die groep ervoor dat we écht inclusief werken door processen universeel te ontwerpen, eerder dan door een wirwar aan specifieke processen te ontwerpen voor elk neurotype. Zou je alleen rond hoogbegaafdheid werken, dan zou je misschien zeggen: wanneer je als manager weet dat iemand hoogbegaafd is, dan geef je die méér autonomie in de uitvoering. Maar: niet elke hoogbegaafde wil méér autonomie, en er zijn ook mensen die niet (weten dat ze) hoogbegaafd zijn die méér autonomie nodig hebben. Als je daarentegen zegt: “ga als manager na hoeveel autonomie iemand nodig heeft”, en je geeft er ook nog een leidraad bij om dat te doen, dan heb je een universeel proces dat voor iedereen werkt: hoogbegaafd of niet, nood aan méér autonomie of juist méér omkadering.
De cirkel wordt helemaal rond wanneer je beseft dat die universele processen ook betekenen dat de meeste mensen hun neurotype niet meer hoeven te delen met hun (potentiële) werkgever. En dat is een win-win-win. Het risico op stereotypering wordt kleiner, als manager hoef je geen psychologie te studeren, en als werkgever verklein je het risico op klachten wegens discriminatie. What’s not to like?
Conclusie : de gedeelde ervaring en de persoonlijke weg
Wie buiten de norm valt, voelt dat. Je steekt je voelsprieten uit, en afhankelijk van wat je opmerkt, pas je je zo goed mogelijk aan aan de omgeving, of voel je je vrij om jezelf te zijn. Samenwerken met ontwikkelingsgelijken kan bevrijdend zijn. Conversaties die zo snel en zo diep gaan als je hoofd werkt. Gedeelde humor en ogen die rollen om dezelfde situaties. Die ervaring delen veel neurodivergentelingen – of ze nu hoogbegaafd zijn, of niet.
Wil dat zeggen dat we de individuele diagnoses en labels mogen vergeten? Dat het er niet meer toe doet te weten dat je hoogbegaafd en/of autistisch bent, dat je dyspraxie hebt of hoogsensitief bent? Nee, dat ook weer niet.
Een label of een diagnose kan je het begin van je eigen handleiding geven. Weten dat je hoogbegaafd bent en dat veel hoogbegaafden een grote nood aan autonomie hebben, bijvoorbeeld, kan een startpunt zijn om voor jezelf uit te zoeken in welke context jij zelfstandig moet kunnen functioneren. En eens je dat weet, kan je je werk en je leven daarop inrichten.
Op jouw persoonlijke weg naar een leven meer in lijn met je natuur, kan een specifiek neurotype helpend zijn, en dan moedigen we jou zeker aan om daarnaar op zoek te gaan. In het werk dat Mindflow doet met organisaties, en in de bewustwording die we graag willen creëren in de bredere maatschappij, is het idee van neurodivergentie net heel helpend. Het is dus niet of-of, maar en-en. En dat sluit dan weer mooi aan bij het paradigma van neurodiversiteit 😉
Muriel Van Gompel
Consultant neurodiversiteit & organisatieontwikkeling
Door haar jarenlange ervaring in leidinggevende functies kent Muriel de realiteit van het bedrijfsleven door en door. Die ervaring combineert ze met een uitgebreide kennis over (neuro)diversiteit én over specifieke neurotypes. In de begeleiding van teams en organisaties slaagt Muriel erin complexe thema’s toegankelijk en toepasbaar te maken. Haar aanpak combineert wetenschappelijke inzichten met praktijkervaring, en stelt haalbaarheid voorop.
Zij begeleidt zowel de Neurotalk! en de Neurodiscovery sessies, en doet dit in het Nederlands, het Frans, het Engels of een combinatie van de drie talen.





